Doorgaan

Bij momenten slaat de twijfel toe. Als ik mijn werk van de voorbije jaren bekijk, stel ik gelukkig vast dat het vooruitgaat. Elk jaar verbetert mijn werk. Op een of andere manier slaag ik er regelmatig in mezelf te verrassen. Dat is natuurlijk een fijn gevoel. Niettemin merk ik dat ik, ondanks verwoede pogingen om af en toe de zaken anders aan te pakken, telkens terugval op een realistische figuratie. Het verleidt sommige toeschouwers er wel eens toe om mijn werk academisch te noemen. Daarmee zeggen ze eigenlijk dat ze het niet kunstig of interessant vinden. Uiteindelijk blijf ik het een compliment vinden.

Anderzijds hebben ze wel een punt. Ik vind zelf dat mijn werk iets mist. Alleen is het verdomd moeilijk om precies te zeggen wat dat dan is, dat gemis. Wat maakt dat ik sommige schilderijen boeiend en interessant vind? Waarom vind ik dat van mijn eigen werk zelden? Ik heb eerlijk gezegd geen idee. Misschien moet ik daar op een of andere manier naar op zoek gaan. Soms vrees ik dat de academie me daar niet voldoende toe aanzet. Al geef ik meteen toe dat het meer te wijten is aan mijn eigen drang om te voldoen aan academische normen. Het is een soort catch 22. Aan de ene kant wil ik op zoek gaan naar een persoonlijke creativiteit, anderzijds heb ik nog altijd het gevoel dat ik nog veel kan en moet leren. Ik blijf werk maken dat beantwoordt aan de academische verwachtingen omdat ik nog veel moet leren. Terwijl dat strikt genomen niet gevraagd wordt.

Ook bij deze zitting vertrek ik vanuit het idee om wat vrijer te werken. Waar Philippe steevast zegt dat we als schilder in vlakken moeten denken, zet ik deze keer mijn compositie op als een tekening. Al snel vul ik de vlakken toch op en ga weer op zoek naar de juiste vormen en verhoudingen. Tegen het einde van de eerste les liggen ook de kleuren alweer dicht bij de realiteit. Uiteindelijk werken de grote meesters die ik bewonder, ook realistisch en figuratief. Alleen zijn zij veel betere schilders dan ik. Daar ligt het verschil. Ik moet dus blijven doorgaan, tot ik ooit goed genoeg ben.

Eerste opzet neigt alweer naar een realistische figuratie.

Nu ik me meer concentreer op portretten op een groter formaat, merk ik dat mijn kennis en kunde aardig tekortschiet. In principe zou ik wat dichter bij het model moeten kunnen staan om die details goed te bekijken. Dat is met het aantal studenten in de klas jammer genoeg niet haalbaar. Ik probeer me te behelpen door af en toe wat dichter te gaan kijken. Stilaan merk ik dat ik nog exacter moet werken en mijn toetsen nog juister moet zetten. Zeker bij een portret komt het aan op precisie. Al is dat moeilijk te combineren met een persoonlijke en vrije manier van schilderen. Uiteindelijk komt het neer op nog meer oefening tot ik heel juist weet wat ik doe en hoe ik het moet doen. Zover ben ik nog niet, we blijven doorgaan.

Waar ik in het lichaam wel in staat ben om met stevige toetsen en interessante contrasten te werken, vind ik dat veel moeilijker in het gelaat. In de armen en het bovenlichaam suggereer ik meer dan dat ik echt schilder. Omdat ik de ogen en mond gelijkend wil krijgen, werk ik daar correcter en voorzichtiger. Dat maakt het een stuk krampachtiger. Daar moet ik nog vanaf geraken.

De ogen en mond hebben nog iets krampachtigs.